Spijt en detransitie
Volgens de Gezondheidsraad is het aantal jongeren met spijt na genderbehandeling niet goed vast te stellen.
In het kort
De raad schrijft dat het aantal gevallen van spijt laag ligt, maar ook dat het aantal personen met spijt niet goed vast te stellen is door de korte follow-up en de substantiële uitval in studies.

Onderbouwing
Twee zinnen uit hetzelfde advies
In het advies Transgenderzorg voor jongeren van 30 juni 2026 schrijft de Gezondheidsraad dat wetenschappelijk onderzoek laat zien dat “het aantal gevallen van spijt laag ligt”. In hetzelfde advies staat ook: “Ook is op basis van de beschikbare literatuur het aantal personen met spijt niet goed vast te stellen vanwege de veelal korte follow-upduur en de substantiële uitval in studies.” Wie alleen de eerste zin aanhaalt, laat de tweede weg.
De Nederlandse cijfers
De raad vond zes Nederlandse studies over stoppen met een behandeling die op minderjarige leeftijd was gestart. Het percentage jongeren dat stopte met puberteitsremmers varieerde van 0 tot 3,5 procent, en van 0 tot 2 procent voor genderbevestigende hormonen. In twee van de zes studies werden de redenen voor het stoppen met puberteitsremmers benoemd; in beide was de voornaamste reden afname van de genderdysforie, bij 2,1 en 1,0 procent van de onderzochte groep. Slechts twee studies rapporteerden over spijt, en daarin werden geen gevallen gevonden. Eén van die twee keek echter alleen naar spijt van een operatie waarbij de geslachtsklieren werden verwijderd. Spijt van alleen een hormoonbehandeling is niet onderzocht. Over detransitie bij personen die als minderjarige werden behandeld, vond de raad geen Nederlandse studies.
Waarom de cijfers onzeker zijn
Volgens de raad concluderen systematische reviews ook voor stoppen, spijt en detransitie dat de bewijskracht “laag tot zeer laag” is. Het gaat om studies van kleine omvang, waarbij niet altijd duidelijk is hoe de onderzochte groep zich verhoudt tot de groep die voor deelname in aanmerking kwam, en waarin vaak niet wordt gecorrigeerd voor verstorende factoren. Veel studies hebben te maken met substantiële uitval van deelnemers, of rapporteren daar niet over.
Buitenlandse cijfers
Op basis van vijf systematische reviews lijkt het percentage jongeren dat stopt met hormoonbehandeling internationaal te liggen tussen 0 en 8 procent. De raad waarschuwt dat zulke cijfers niet zonder meer iets zeggen over Nederland, omdat ze afhangen van behandelrichtlijnen, de organisatie van de zorg en maatschappelijke factoren.
Bronnen
Hoe we bronnen kiezen en controleren staat op Werkwijze.
